Lc.15,1-3.11-32 (27/03/2022)
Wie echter dichterbij kwamen om inderdaad te luisteren, waren allemaal ‘tollenaars en zondaars’ [uitschot in andermans ogen]. De farizeeën en schriftgeleerden morden daarover: “Die daar verwelkomt zondaars en eet met hen!” Daarom vertelde Jezus [drie] gelijkenissen tegen hen:
“Iemand had twee zonen. De jongste zei tegen de vader: “Vader, geef mij het deel van het vermogen dat mij toekomt.” En de vader verdeelde zijn bezit onder hen. Niet veel later zamelde de jongste alles bijeen en trok naar een ver land. Daar vergooide hij zijn vermogen met een reddeloos [asotèr / on-be-vrij-d] leven.
Toen hij nu alles uitgegeven had, kwam er een zware hongersnood over dat land en hij begon gebrek te lijden. Hij ging op zoek en klampte zich vast aan een stedeling, die hem naar zijn velden stuurde om varkens te hoeden. Hij wou zelfs zijn buik vullen met de schillen die de varkens aten, maar niemand gaf ze hem. Daar kwam hij tot zichzelf en zei: “Hoeveel dagloners van mijn vader hebben brood in overvloed, terwijl ik hier om kom van de honger?! Ik zal opstaan, naar mijn vader gaan en hem zeggen: “Vader, ik heb gezondigd tegen [mij verwijderd van] de hemel en tegen jou. Ik ben niet meer waard je zoon genoemd te worden. Maak mij tot één van je dagloners.” En hij stónd op en ging naar zijn vader.
Toen hij nog ver weg was, zag zijn vader hem al en raakte ten diepste bewogen. Hij snelde op hem af, viel hem om de hals en kuste hem hartelijk.
Nu zei de zoon tegen hem: “Vader, ik heb gezondigd tegen [mij verwijderd van] de hemel en tegen jou. Ik ben niet meer waard je zoon genoemd te worden.”
Maar de vader zei tegen zijn knechten: “Breng snel het voornaamste [= mijn] feestgewaad
en bekleed hem ermee, geef hem een ring [= familie-zegelring] aan zijn hand en sandalen aan zijn voeten [= zodat hij als vrij man kan gaan waar hij wil]. Breng het vetgemeste kalf en slacht het. Laten we een feestmaal houden en blij zijn, want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en werd teruggevonden!” En ze begonnen feest te vieren.
Nu was zijn oudste zoon op het veld. Toen hij aankwam en het huis naderde, hoorde hij muziek en dans. Hij riep een van zijn knechten/jongens en ondervroeg hem wat dat allemaal was. Die zei nu tegen hem: “Je broer is teruggekomen en je vader heeft het vetgemeste kalf laten slachten, omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.” Hij werd woedend en wilde onder geen beding binnenkomen.
Daarom kwam de vader naar buiten hem tegemoet en probeerde hem over te halen. Maar hij antwoordde zijn vader: “Kijk! Al zoveel jaren sta ik jou ten dienste en nooit heb ik een gebod van jou overtreden, en aan míj heb je nooit een bokje gegeven om eens met mijn vrienden feest te vieren. En nu die zoon van jou, die je vermogen heeft verbrast met hoeren, teruggekomen is, slacht je voor hém het vetgemeste kalf.”
Maar nu zei hij tegen hem: “Mijn kind, jíj bent altijd bij mij, en al wat van mij is, is van jou. Maar er moet feest en blijheid zijn, want die broer van jou was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en werd teruggevonden!””
We hadden ‘de verloren zoon’ acht dagen geleden pas (zie 19 maart), terwijl we het ‘al zo goed kennen’. Misschien juist daarom is het goed het opnieuw te overwegen, om te ontdekken hoe die parabels van Jezus telkens nieuw en inspirerend zijn! Begin alvast met te zien in v.1-2 dat dit gebeuren helemaal ligt in de lijn van wat we gisteren lazen (zie 26 maart).
G-ds hart staat wijd open, maar je moet er in binnen wíllen komen. Je kunt jezelf daar ook voor afsluiten. Dat gebeurt soms bewust, als wij ons afkeren, maar veel vaker nog onbewust, als wij ons op allerlei manieren beter achten dan de ander, zoals de oudste broer tegenover zijn jongere broer, terwijl het aanbod van de vader even goed voor hem geldt.
De vraag is opnieuw of wij kunnen erkennen dat wij G-ds liefde nodig hebben. Keren we ons naar hem toe, of van hem af? Dát maakt het verschil of wij ’bevrijd’ zullen leven of niet, niet of we een leven ‘in den vreemde’ leven of braaf thuiszitten …
Lc.23,35-43 (20/11/2022)
[Jezus hing aan het kruis.] Het volk stond daar en keek; ook de leiders, die hem beschimpten:
“Anderen heeft hij bevrijd, dat hij nu maar zichzelf bevrijd als hij de Gezalfde [Christos/Messiah] is, de uitverkorene van God!”
Nu begonnen ook de soldaten hem te bespotten. Ze kwamen bij hem staan en gaven hem azijn. [Ps.69,22] Ze zeiden: “Als jij de koning van de Joden bent, bevrijd dan jezelf!”
Er was ook een opschrift boven hem geplaatst, in het Grieks, het Latijn en het Hebreeuws: ‘Dit is de koning van de Joden.’ [in het Latijn: Iesus Nazareus Rex Iudaiorum, vandaar I.N.R.I.]
Ook een van de gekruisigde misdadigers lasterde hem: “Ben jij niet de Gezalfde [Christos/Messiah]? Bevrijd dan jezelf en ons!” Maar de ander wees hem terecht: “Vrees zelfs jij God niet, nu je hetzelfde vonnis ondergaat? En voor ons is het rechtvaardig: Wij ontvangen terug naar waarde van wat wij hebben gedaan. Maar hij heeft niets misplaatst gedaan.” En tegen Jezus zei hij: “Her-inner mij, Heer, wanneer je in jouw koninkrijk komt.”
En Jezus antwoordde hem: “Amen, ik zeg je: Vandaag nog zul je met mij in het paradijs zijn.”
Het feest van ‘Christus, koning van het heelal’ heeft een beetje een triomfantelijke allure. Het is dan ook nog geen 100 jaar geleden ingesteld (1925) en zegt daarom wellicht meer over het denken van de kérk van die tijd, dan over Jezus! Toegegeven, in het Evangelie wordt Jezus wel degelijk ‘koning’ genoemd, maar het wordt toch wel snel duidelijk dat zijn koningschap van een heel andere orde is en helemaal niets triomfantelijks heeft!
Wat voor koning ben je als je je door je eigen volk en vreemde soldaten aan het kruis laat slaan en daar niets kunt aan doen? Wat voor koning ben je als je tussen veroordeelde misdadigers hangt en zelfs door hen bespot wordt?
Koning ben je als je dán kunt zeggen: “Vader, vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen!” Koning ben je als je dán kunt zeggen: “Vandaag nog zul je met mij in het paradijs zijn!”
Lc. 1,57-66.80 (24/06/2020)
In die tijd brak voor Elisabet het ogenblik aan dat zij moeder werd; zij schonk het leven aan een zoon.
Toen de buren en de familie hoorden hoe groot de barmhartigheid was die de Heer aan haar had betoond,
deelden zij in haar vreugde. Op de achtste dag kwam men het kind besnijden en ze wilden het naar zijn vader Zacharias noemen.
Maar zijn moeder zei daarop: 'Neen, het moet Johannes heten.' Zij antwoordden haar: 'Maar er is in jouw familie niemand die zo heet.'
Met gebaren vroegen zij toen aan zijn vader hoe hij het wilde noemen. Deze vroeg een schrijftafeltje en schreef erop:
'Johannes zal hij heten.' Ze stonden allen verbaasd. Onmiddellijk daarop werd zijn mond geopend en zijn tong losgemaakt,
en verkondigde hij Gods lof. Ontzag vervulde alle omwonenden en in heel het bergland van Judea werd al het gebeurde rondverteld.
Ieder die het hoorde dacht erover na en vroeg zich af: 'Wat zal er worden van dit kind?' Want de hand des Heren was met hem.
Het kind groeide op en de Geest beheerste hem meer en meer. Hij verbleef in de woestijn tot de dag, waarop hij zich aan Israël in het openbaar vertoonde.
Vandaag vieren wij de geboorte van Johannes De doper. Speciaal! In de ganse kerkelijke feestkalender worden er slechts drie geboortedagen gevierd:
die van Jezus, die van Maria en die van Johannes. We vieren niet de voleinding, maken niet het bilan van zijn leven, maar we vieren het begin!
Zijn naam, ‘JHWH is genadig’, maakt het duidelijk. Leven is genade, een geschenk dat geleefd moet worden omdat ‘G-d’ het van bij het begin
met ons waagt, ons ertoe in staat acht en ons vertrouwt.
Zo weet Johannes ook mij te inspireren
- als grensfiguur
Waag ik het om bruggen te slaan? Durf ik vol enthousiasme te pleiten voor nieuwe leven-gevende ideeën zodat een crisis niet stilzwijgend overgaat
in een ‘nieuw normaal’ maar zodat deze crisis ten diepste ons samen-leven mag veranderen?
- als woestijnbewoner, éénvoudig en onthecht
Kan ik leven van wat ‘nodig’ is? Of blijf ik consumeren wat ik niet nodig heb?
Waar hecht ik mij aan? Wie bepaalt mijn doen en laten vandaag de dag? Angst, wetenschap, maatregelen, gezond verstand, ‘G-d’ … ?
- als verwijzer
Naar wie verwijst mijn leven? Naar mezelf, naar de a(A)nder, …?
Lc.19,18-24 (10/04/2022)
Hierna trok hij verder naar Jeruzalem. En het gebeurde, toen hij Betfage en Betanië naderde, bij de berg die ‘van olijven’ genoemd wordt, dat hij twee van zijn leerlingen uitzond.
Hij zei: “Ga naar het dorp hier voor ons. Als je er binnengegaan bent, zul je een vastgebonden veulen vinden waarop nog niemand heeft gezeten. Maak het los en breng het. En als iemand jullie vraagt: “Waarom maken jullie het los?”, moet je zeggen: “Omdat de heer het nodig heeft.”
Die uitgezonden waren gingen nu weg en vonden het zoals hij hun gezegd had. Toen ze het veulen losmaakten, vroegen de heren ervan aan hen: “Wat maken jullie dat veulen los?” Ze zeiden nu: “De heer heeft het nodig.” En zij voerden het tot bij Jezus.
Zij wierpen hun mantel over het veulen en hielpen Jezus erop zitten. [Zach.9,9] Terwijl hij verder trok, spreidden zij hun mantels over de weg. Toen hij bijna beneden de berg van olijven was, begon de menigte leerlingen met luide stem verheugd God te prijzen om alle machtige daden die zij hadden gezien. En ze riepen: “Gezegend de komende – de koning – in de naam van de heer. Vrede in de hemel, en grootsheid in den hoge!”
Enige farizeeën uit de menigte zeiden hem: “Meester, wijs je leerlingen terecht!” Maar hij antwoordde hen: “Ik zeg jullie: als zij zwijgen, zullen de stenen schreeuwen.”
Koning op een ezel …
Weer een typische Jezus-paradox …, maar wel helemaal in de lijn van de in het Oude Testament aangekondigde Messias.
Koninklijk is deze intocht in Jeruzalem zeker, en Jezus laat het ook aan zich gebeuren. Want “ja, koning ben ik”, zal hij straks bij Pilatus erkennen.
Maar op een ezel, een beetje een geridiculiseerd, maar ondertussen toch maar schaamteloos gebruikt, dier. Een dier dat onze lasten draagt … En daarop een Mens – Goddelijke Mens – die onze lasten draagt …
Zou nu net niet zó’n koning bevrijdend zijn in ons leven? Een die bereid is in alle kracht en waardigheid onze lasten mee te dragen?
Meedragen waarheen? Tot wij hem weer verwerpen – en niet door hebben dat de lasten daarmee weer op onze eigen schouders komen? Tot op het kruis – waar we in ellende lijken ten onder te gaan? Of tot op Verrijzenisdag?
Ik weet niet wanneer die komt – ‘3 dagen’ is in de Bijbel een beeld voor een net niet onmogelijk lange tijd! – maar als ik vertrouw en zó lang mee ga met hem, zal ze er zijn!

