Verbonden Leven

Zoek

Zoektip

Zoektip:

tik vb. Mt. 1,21-12
tik een specifieke zoekterm in (vb. engel) 

Lc.24,46-53 (29/05/2025)

46    En hij zei tegen hen:
       “Zo staat het geschreven en zo ‘moet’ het:
       Dat de Gezalfde [Christos] zou lijden
       en opstaan uit de doden op de derde dag,
47    en dat er in zijn Naam
       ommekeer verkondigd zou worden
       tot vrijmaking van zonden [verwijdering]
       voor alle volken, te beginnen met Jeruzalem.
48    En jullie zijn hiervan de getuigen [martyres].
49    Kijk! Ik zend over jullie de belofte van mijn Vader.
       Blijf in de stad totdat je bekleed wordt
       met vol-macht uit den hoge.
50    Nu leidde hij hen naar buiten, naar Betanië.
       Hij hief zijn handen op en zegende hen.
51    En het gebeurde in het zegenen
       dat hij niet meer [lijfelijk] bij hen was.
       Hij werd omhoog gedragen tot in de hemelen.
52    Zij bogen zich voor hem neer
       en keerden met grote vreugde naar Jeruzalem terug.
53    Ze waren voortdurend in de tempel,
       God zegenend.
       Amen!

‘Hemelvaart’ …, een nogal ongrijpbaar feest, in allerlei opzichten. Jezus doet verschillende krasse uitspraken, zoals dat het ‘moet’ dat hij zou lijden, dat ‘ommekeer’ essentieel is, én dat ‘jullie’ – dat zijn de leerlingen toen én nu, ook wij dus – hiervan zouden getuigen! Met ons verstand kunnen wij al deze dingen niet zomaar be-grijpen, maar gelukkig heeft het hart zo wel zijn redenen die de rede niet kent! (Blaise Pascal) De leerlingen, wij dus, zullen die moeten ‘leren kennen’ – niet met het verstand dus …
Toch is er wel iets heel tastbaars, hoewel ook ‘onbegrijpelijk’, in dit gebeuren: Jezus zegent hen! In het zegenen is hij niet meer lijfelijk bij hen, maar door het zegenen komt hij op een nieuwe manier aanwezig. Zegenen is immers: iemand G-ds Aanwezigheid toezeggen! En de leerlingen, wij dus, moeten ook dit tastbare gebaar ‘leren kennen’, én doen! Daarmee ‘aanwezigen wij de Aanwezige’. (Kees Waaijman)
‘Hemelvaart’ …, wat er minstens van te begrijpen valt, is dat het Jezusleerlingen, ons dus, wakker roept tot verantwoordelijkheid voor het getuigenis over G-ds Liefde!

Lc.15,3-7 (27/06/2025)

     Daarom vertelde Jezus [drie] gelijkenissen tegen hen:
     “Wie onder jullie, die honderd schapen heeft
       en er één van verliest,
       laat niet de negenennegentig alleen achter
       en zoekt het verloren schaap,
       totdat hij het vindt?
     En als hij het gevonden heeft,
       legt hij het op zijn schouders
       en is blij!:
     Als hij thuiskomt
       roept hij zijn vrienden en buren samen:
       Wees blij samen met mij,
       want het schaap dat verloren was,
       heb ik gevonden!”
     Ik zeg jullie:
       Zo zal er blijheid zijn in de hemel
       om één zondaar die zich toekeert [naar God en zijn mensen],
       meer dan om negenennegentig rechtvaardigen
       die geen toekeer nodig hebben.

Gewoonlijk lezen wij dit parabeltje vanuit ons eigen oogpunt en zijn wij blij en dankbaar dat G-d ons, verloren schapen als we zijn, zoekt en opneemt. Dat is inderdaad om blij en dankbaar om te zijn!
Maar op dit feest van Jezus’ ‘heilig hart’ pas het wel het eens vanuit zíjn oogpunt te lezen. Dat feest gaat immers juist over zijn liefde, zijn allesomvattende zorg voor mensen en de vreugde die hij daaraan beleeft. Zijn wíj opgelucht als hij ons vindt, híj is verheugd als hij ons vindt! Hopen wij gezocht te worden, hij zóekt! Zijn hart is zo ruim dat er altijd plaats is voor wie er nog bij wil.
Aan dat hart mogen wij ons dus toevertrouwen. Of inniger nog – zoals de leerling Johannes – ons aan dat hart vlijen. Zijn warme liefde gaat immers naar ons uit en wil ons voeden en laven. Hij zal er alleen maar verheugd om zijn als wij dit toelaten!

Lc.9,28b-36 (6/08/2025)

28    Zo’n acht dagen hierna gebeurde het
       dat Jezus Petrus, Johannes en Jakobus meenam
       en de berg opging om te bidden.
29    In het bidden gebeurde het:
       het beeld [/de aanblik] van zijn gelaat veranderde
       en zijn kleding werd stralend wit.
30    Kijk! Twee mannen spraken met hem.
       Het waren Mozes en Elia,
31    die in grootsheid verschenen.
       Zij spraken over zijn uittocht
      [exodon: uittocht – hier: sterven – met de implicatie van doortocht én intocht]
       die hij moest volbrengen in Jeruzalem.
32    Petrus en degenen die bij hem waren,
       waren ondertussen overmand door de slaap.
       Nu klaarwakker geworden, zagen zij zijn grootsheid
       en de twee mannen die bij hem waren.
33    Toen die aanstalten maakten om van hem weg te gaan,
       zei Petrus tegen Jezus:
       “Meester, het is goed dat wij hier zijn!
       Laten wij drie tenten maken:
       één voor jou, één voor Mozes en één voor Elia”,
       niet wetend wat hij zei.
34    Terwijl hij dit zei,
       ontstond er een wolk die hen [allen] overschaduwde.
       Ze [de leerlingen] werden bevreesd toen zij [Jezus, Mozes en Elia] de wolk binnengingen.
35    Er kwam een stem uit de wolk:
       “Dit is mijn daad-werkelijk geliefde zoon.
       Luister naar hem.”
36    Toen de stem verstilde vonden ze Jezus daar alleen.
       Zij zwegen en vertelden in die dagen aan niemand iets
       van wat ze gezien hadden.

Wat in dit Evangelie beschreven wordt, is niet wat de leerlingen zíen, maar wat ze ínzien! Het staat er letterlijk: “Ín het bidden gebeurde het …” Je zou van een ‘visioen’ kunnen spreken. Een visioen is geen droombeeld zoals je ’s nachts kunt hebben, maar ook geen uiterlijk zien. Waarachtige visioenen zijn overigens niet te herkennen aan wat ze precies beschrijven, maar aan wat ze bewerkstelligen.
En dit ‘gebed’ van de leerlingen bewerkstelligt heel wat! Het doet hen zó ínzien wie Jezus werkelijk is én dat zij in die lijn met hem mogen meegaan, dat ze ‘luisteraars’ worden, verstilde verkondigers van G-ds daad-werkelijke liefde. Het duurt enige tijd eer dat gebeurt. Ze hebben tijd nodig eer dit krachtige gebeuren helemaal tot hen doordringt. Maar dan baant het zich onstuitbaar een weg doorheen de tijden.
Tot het ook óns bereikt met de uitnodiging: bid, zie, zie in, verstil, luister, verkondig … alles gaat over daad-werkelijke liefde.

Lc.1,26-38 (8/12/2020)

In de zesde maand [van de zwangerschap van Elisabeth, de toekomstige moeder van Johannes de doper],
werd de boodschapper [engel] Gabriël vanwege God uitgezonden naar een stad in Galilea, Nazaret genaamd, n
aar een jonge vrouw die verloofd [in ondertrouw] was met een man die Jozef heette, uit het huis van [die afstamde van koning] David.
De naam van die jonge vrouw was Maria.
De engel kwam bij haar binnen en zei: “Vrede zij met jou, begenadigde. De Heer weze met jou! Gezegend ben jij onder de vrouwen.”
Zij echter was erg in de war van deze woorden en vroeg zich af wat deze begroeting moest betekenen.
De boodschapper zei tegen haar: “Wees niet bang, Maria, jij hebt genade gevonden bij God. Kijk!
Je zult zwanger worden en een zoon baren en je zult hem de naam ‘Jezus’ [God redt] geven.
Hij zal groot zijn en zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God de Heer zal aan hem geven de troon van zijn vader David.
Hij zal koning zijn over het huis van Jakob [Israël] tot in eeuwigheid en aan zijn koningschap zal geen grens zijn.”
Nu zei Maria tegen de boodschapper: “Hoe zal dat gebeuren, aangezien ik geen omgang met een man heb?”
De boodschapper antwoordde haar: “Heilige geest zal over jou komen, de geestkracht van de Allerhoogste zal je omhullen.
Daarom ook zal wie uit jou geboren wordt heilig genoemd worden, zoon van God. Kijk! Elisabet, je bloedverwante,
ook zij heeft in haar ouderdom een zoon ontvangen. Ze is in haar zesde maand, hoewel ze onvruchtbaar werd genoemd.
Want bij God is geen woord krachteloos.”
Nu zei Maria: “Ziehier de dienares van de Heer. Moge met mij gebeuren naar jouw woord.”
En de boodschapper ging van haar weg.

Met enkele zinnen schrijft Lucas over de overrompelende ervaring van de nieuwe start die G-d – in Jezus – met de mensen begonnen is.
Een engel klopt aan bij Maria met een indringende boodschap. Zij antwoordt bevestigend. Haar antwoord is echter geen passief ja,
dat zou haar reduceren tot een instrument. Het is een ‘ja’ als resultaat van een bewuste levenshouding. Een levenshouding – en dus ook haar antwoord –
die haar tot in het diepst van haar wezen verbindt aan wat (aan wie) haar overkwam.
Daarbij beschrijft Lucas zijn beeld van een diep gelovige vrouw: Maria. Het is een wijze, volwassen vrouw die zichzelf blijft, in vrijheid handelt,
kritische vragen stelt maar zich dan vrijwillig en bewust, helemaal overgeeft aan hem die haar roept : ‘moge met mij gebeuren naar jouw woord’.
Een vrouw die het aandurft om er volledig voor te gaan.
Lucas zegt niet alleen iets over Maria maar evenzeer iets over G-d. Hij laat zich kennen als een G-d die een voorkeur heeft
voor het gewone, het kleine, het onaanzienlijke. Een G-d die bevrijding en gerechtigheid wil. Meer nog: Hij wíl dat niet alleen,
hij doet het ook via Maria en via allen – mannen en vrouwen – die, zoals zij, geloven in de kracht van Zijn heilige Geest. Mag/kan het ook via jou en mij?

Lc.4,16-30 (30/08/2021)

Jezus kwam in Nazaret, waar hij was opgegroeid. Zoals hij gewoon was, ging hij op de dag van de
sabbat binnen in het huis van samenkomst. Hij stond op om voor te lezen en men gaf hem een boekrol van de profeet Jesaja. Hij opende de boekrol en vond de plaats waar geschreven staat:
De geest van de Heer is over mij gekomen –
hij heeft mij gezalfd,
om de bevrijdende boodschap te verkondigen
aan wie zich arm weten.
Hij heeft mij gezonden
om wie gebroken is te genezen,
om wie gevangen zit vrijlating te melden,
om wie blind is het zicht terug te geven,
om wie verdrukt wordt te bevrijden;
om af te kondigen
een genadejaar van de Heer. [Jes.61,1-2]
Hij rolde het boek dicht, gaf het terug aan de dienaar en ging zitten. De ogen van allen in het huis van samenkomst waren aandachtig op hem gericht. Hij begon nu tegen hen te spreken:
“Vandaag
is voor jullie oren dit Schriftwoord in vervulling gegaan!”
Allen vielen hem bij en verwonderden zich over de woorden van genade die uit zijn mond kwamen,
en ze zeiden: “Is dat niet de zoon van Jozef?” Hij zei tegen hen: “Natuurlijk zullen jullie mij de spreuk voorhouden: Geneesheer, heel jezelf! Al die dingen die in Kafarnaüm gebeurd zijn – naar wij gehoord hebben – doe ze ook eens hier in je vaderstad. Daarop zei hij: “Zeker, ik zeg jullie
dat geen enkele profeet welkom is in zijn vaderstad. Naar waarheid zeg ik jullie: In de dagen van [de profeet] Elia waren er veel weduwen in Israël toen de hemel gedurende drieëneenhalf jaar gesloten bleef zodat er grote hongersnood kwam over heel het land. Toch werd Elia naar geen van hen gezonden [om haar te redden van de hongerdood – 1 Kon.17] maar naar een weduwe is Sarepta bij Sidon [= buiten Israël]. En ten tijde van de profeet Elisa waren er veel melaatsen in Israël. Toch werd geen enkele van hen gereinigd maar wel de Syriër [= buitenlander] Naäman.”
Allen die in de samenkomst [synagoge] waren en dit hoorden raakten overvol woede. Ze stonden op en wierpen hem buiten de stad. Ze dreven hem naar de rand van de berg waarop hun stad gebouwd was, om hem van de steilte te gooien. Maar hij ging midden tussen hen door en trok weg.

Jezus, wanneer hij wil aangeven wat de kern van zijn boodschap is (die overigens vandáág – dat woord staat er met veel nadruk – in vervulling gaat), haalt daarvoor een citaat aan uit de profeet Jesaja (van ruim 500 jaar vroeger dus).
En wat zegt dat?
De bevrijdende boodschap zal verkondigd worden aan wie zich arm weten! Hij zal de gebrokenen genezen! Enzovoort…
Vind jij dat normaal? Onze oren zijn wellicht té gewoon geraakt dat te horen, maar het is volstrekt ábnormaal wat Jezus hier verkondigt. Als je dat niet gelooft, kijk dan ‘gewoon’ even om je heen in de alledaagse maatschappij. Zijn het de armen die een bevrijdende boodschap krijgen? Zijn het de gebrokenen die groot worden?
G-dgerichte mensen zijn – en móeten zijn – mensen die tegen alles in het ‘abnormale’ blijven verkondigen, verdedigen en dóen – ook al zullen we daarvoor ongetwijfeld als ‘abnormaal’ versleten worden, mogelijks zelfs gesmaad en verworpen.
Er is werk aan de winkel in onze huidige maatschappij! Daar moeten we dus vandáág aan beginnen!

 

Lc.4,1-13 (6/03/2022) 

Nu vervuld van heilige geest-adem, keerde Jezus terug van de Jordaan [na zijn doop] en in die geest-adem werd hij tot in de woestijn geleid. Veertig dagen werd hij beproefd door de uiteendrijver [splitser, diabolos]. Hij at niets in die dagen en toen ze voleindigd waren, was hij uitgehongerd.
Nu zei de uiteendrijver tegen hem: “Als jij de zoon van God bent, zeg dan aan die steen dat hij een brood moet worden.” Maar Jezus antwoordde hem: “Er staat geschreven: Niet van brood alleen zal de mens leven!” [Deut.8,3]
Toen voerde de uiteendrijver hem mee naar een hoge berg en toonde hem in een ogenblik
alle koninkrijken van de wereld. En hij zei tegen hem: “Aan jóu zal ik heel die macht en glorie geven – want die is aan mij overgedragen en ik geef ze aan wie ik wil. Als je je neerbuigt voor mijn aanschijn, dan zal dit alles van jou zijn.” Maar Jezus antwoordde hem: “Er staat geschreven: Je zult je neerbuigen voor je Heer God en hem alleen zul je dienen.” [Deut.6,13]
Nu voerde hij Jezus naar Jeruzalem, liet hem op de dakrand van het heiligdom staan en zei: “Als jij de zoon van God bent, werp dan jezelf naar beneden. Want er staat geschreven: Want Hij geeft zijn engelen opdracht je op al je wegen te bewaren. Hun handen zullen je dragen zodat je je voet niet stoot aan een steen. [Ps.91,11-12] Maar Jezus antwoordde hem:
“Er is gezegd: Je zult de Heer je God niet op de proef stellen.” [Deut.6,16]
Toen hij alle beproevingen vervuld had, nam de uiteendrijver afstand van hem tot op een gunstige tijd.

Aan het begin van de veertig dagen trekt Jezus de woestijn in waar hij met zichzelf alleen is, van G-d en mensen verlaten, maar met de duivel op zijn hielen. Je komt nooit los van je gedachten, je angsten en complexen – maar je kunt er wel mee leren omgaan. De ervaring van de woestijn is dat je kracht in de zwakheid ligt, dat je kunt overleven, niet door te vluchten, maar door vol te houden. Je kunt op G-d vertrouwen, die er is, juist in de weerloosheid. Hij die er is, juist in de verlatenheid, in de ervaring van schraalheid en verstilde soberheid. Alle situaties in ons leven die ‘woestijn-achtig’ zijn – als je leven onder druk staat, als je de grip kwijt raakt, als je je verloren en verlaten voelt, als je je teruggeworpen op jezelf, als je de erosie voelt, de kaalslag – al die situaties kunnen een onvermoede bron van kracht worden. Juist in de woestijn, aan de rand van het leven, komt het erop aan en val je terug op door wie je je laat dragen: G-d of de duivel?